Gerben Meynen is psychiater en filosoof. Naast zijn werk als behandelend psychiater is hij hoogleraar Forensische Psychiatrie bij het Willem Pompe Instituut van de Universiteit Utrecht en bijzonder hoogleraar Ethiek en Psychiatrie aan de Vrije Universiteit. Gerben Meynen is één van de taskforceleden van NeurolabNL binnen het thema Veiligheid. Wij spraken Gerben over het belang van neurowetenschappen voor het (straf)recht.

Achtergrond
Gerben Meynen houdt zich voornamelijk bezig met neurorecht, een relatief nieuw veld van wetenschappelijk onderzoek. Bij neurorecht wordt onderzocht wat voor implicaties de neurowetenschap heeft voor het recht, met name voor het strafrecht.

Wat is de betekenis van neurowetenschappen voor het strafrecht?
De betekenis van de neurowetenschappen voor het recht wordt globaal vanuit drie domeinen onderzocht. Het eerste domein richt zich op de herziening van het strafrecht op basis van neurowetenschappelijke bevindingen. Een voorbeeld van zo’n herziening is het verhogen van de leeftijd van 18 naar 23 jaar bij het adolescentenstrafrecht, waarbij neurowetenschappelijke argumenten een rol speelden. Mede op grond van de bevinding dat het brein nog niet is ‘uitgerijpt’ bij 18 jaar, werd betoogd dat het strafrecht geen harde grens bij die leeftijd moest hanteren. Een tweede domein is assessment, waarbij individuen, zoals verdachten of gedetineerden, worden onderzocht. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vraag in hoeverre hersenscans meer inzicht kunnen geven in het gedrag van een verdachte. Hierbij kun je denken aan het vaststellen van een stoornis, zoals een tumor of hersenschade na een ongeluk. Het derde domein richt zich op het gebruik van neurotechnologie voor interventies, iets dat nu nog niet aan de orde is, maar wellicht in de toekomst wel. Hierbij kun je denken aan diepe hersenstimulatie bij zedendelinquenten om ongewenst gedrag te onderdrukken.

Kun je iets vertellen over gevallen waarbij neurowetenschap een grote rol heeft gespeeld in strafrechtelijke zaken?
Er zijn een aantal strafrechtelijke zaken waarin neurowetenschappen een rol hebben gespeeld. Uit eerder onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) is gebleken dat in Nederlandse strafzaken tussen 2000 en 2012 ruim 200 keer gebruik was gemaakt van neurowetenschappelijke informatie, met name om vragen over ontoerekeningsvatbaarheid te kunnen beantwoorden. In een bekende casus uit de literatuur begon een man seksueel ongewenst gedrag te vertonen terwijl hij, naar later bleek, leed aan een hersentumor. Toen hij werd geopereerd aan de tumor verdween het gedrag, maar toen de tumor terug kwam, keerde ook het ongewenste gedrag terug. Dit brengt vragen met zich mee; zou je op basis hiervan kunnen concluderen dat de hersentumor ‘verantwoordelijk’ was voor het strafbare gedrag of had de man zelf iets kunnen doen om dit gedrag te voorkomen?

Hoe ziet de toekomst van neurorecht eruit?
Binnen neurorecht wordt nadrukkelijk over de toekomst nagedacht, ook omdat je de ontwikkelingen – die voor mensen zeer ingrijpend kunnen zijn – vóór wilt blijven. Je wilt niet pas gaan nadenken wanneer technieken al worden ingezet. Tegelijkertijd: de toekomst is per definitie onzeker, en dat geldt ook voor neurotechnologische toepassingen in het strafrecht. Wel lijkt het waarschijnlijk dat in de toekomst verschillende technologieën met elkaar gecombineerd gaan worden. Bijvoorbeeld de combinatie van hersenscans en AI. Denk hierbij aan het ontwikkelen van algoritmes die mede op basis van neuroimaging recidiverisico’s kunnen helpen inschatten. Een andere mogelijkheid biedt virtual reality: hersensignalen kunnen worden gemeten terwijl iemand in een virtuele omgeving is die triggers bevat en bepaalde reacties kunnen uitlokken. Een ander mogelijk relevante ontwikkeling is dat met neuroimaging onderzocht kan worden of iemand iets herkent. Je zou een verdachte verschillende voorwerpen die zijn aangetroffen op de plaats delict kunnen laten zien en nagaan in hoeverre hersensignalen aangeven dat de voorwerpen – zoals het moordwapen – worden herkend. Zo’n herkenning zou dan wijzen op ‘daderkennis’. Je zou dit een soort ‘gedachtenlezen’ kunnen noemen. Maar het brengt direct juridische vraagstukken met zich mee. Stel nu dat zo’n test inderdaad zou werken, zou je een verdachte kunnen dwingen om er aan mee te werken? In hoeverre geldt hier het zwijgrecht van de verdachte? Of is zo’n hersenscan vergelijkbaar met het afnemen van DNA-materiaal bij een verdachte, wat in sommige gevallen onder dwang mag? Dit zijn belangrijke vragen binnen neurorecht.

Foto: Ed van Rijswijk