SCreen & INtervene (SCIN)

De moord op Peter R de Vries, een bekende misdaadverslaggever, op 15 juli 2021 had grote impact op de Nederlandse samenleving. Een van de beschuldigde moordenaars is een jonge man, Delano G., destijds 21 jaar oud. Ooit was hij een ambitieuze danser en rapper; hij eindigde in criminele activiteiten. Hij kwam regelmatig in aanraking met de politie en werd vier jaar eerder veroordeeld tot 15 maanden jeugddetentie. Verschillende artikelen in de media stelden allemaal dezelfde vraag: hoe kan een adolescent die in jeugddetentie heeft gezeten en onder toezicht stond van de reclassering, toch in ernstige criminaliteit belanden? De toename van zware criminaliteit, in combinatie met hoge recidivecijfers en negatieve maatschappelijke uitkomsten voor jeugdige delinquenten, benadrukken de noodzaak van effectievere forensische jeugdzorg.

Het SCIN-project heeft als doel de screening en interventie in de forensische jeugdzorg te verbeteren. Dit project zet in op het verder personaliseren van behandelprogramma’s voor adolescente daders van ernstige delicten. We doen dit door neurobiologische maten te integreren in de screening van individuele risico’s en behoeften, en beslissingen over specifieke interventieprogramma’s, en toepassing van het adolescentenstrafrecht. Daarmee kunnen we forensische interventies effectiever inzetten, afhankelijk van de individuele behoeftes.

Uiteindelijk zal dit leiden tot:

  • Afname van recidivecijfers
  • Afname psychische problemen van jeugdige delinquenten
  • Toename maatschappelijke participatie (zelfzorg, relevante dagelijkse bezigheden, sociaal netwerk)
forensic intervention trajectory

Achtergrond

Hoewel het aantal jeugddelinquenten in Nederland de afgelopen tien jaar is afgenomen, geldt dit niet voor het aantal jeugdige delinquenten die ernstige delicten pleegden. Het aantal jongvolwassenen tot 21 jaar dat verdacht wordt van een geweldsmisdrijf is met 4% gestegen, van 2019 tot 2020. Het aantal minderjarige verdachten (tot 18 jaar) van doodslag is met bijna 50% toegenomen tot 199 verdachten, terwijl het aantal jongvolwassen verdachten van doodslag (tot 21 jaar) met 38% toenam tot 226. Ook het recidivepercentage van jeugddelinquenten na jeugddetentie en van jongvolwassenen na een gevangenisstraf blijft met 56% hoog. De ernst van hun strafbare feiten kan zelfs toenemen na detentie, zoals blijkt bij Delano G. Bovendien hebben deze jongeren na detentie vaak mentale en fysieke problemen en moeite om zelfstandig te functioneren in onze maatschappij.

Naast bescherming van de samenleving, straf en vergelding hebben forensische instellingen een hoofdtaak bij de heropvoeding en behandeling van ernstige jeugddelinquenten. Omdat delinquente jongeren een heterogene groep vormen met diverse complexe problematiek, bieden JJI’s talloze forensische interventies, variërend van psychotherapie en cognitieve gedragstherapie tot creatieve therapie, gezinstherapie en farmacotherapie. Ondanks het brede aanbod aan interventies profiteren niet alle delinquente jongeren hiervan. Er is behoefte aan meer effectieve inzet van interventieprogramma’s die zijn toegesneden op de individuele problematiek van adolescenten die een ernstig delict hebben gepleegd.

Volgens het huidige gehanteerde biopsychosociale model voor delinquent gedrag is de neurobiologische ontwikkeling een cruciaal aspect in de totstandkoming van crimineel gedrag. Tijdens de adolescentie zijn de hersenen nog volop in ontwikkeling. In combinatie met persoonlijke psychologische en sociale factoren kan dit ertoe leiden dat sommige individuen meer risico lopen op aanhoudend crimineel gedrag. Aan de andere kant biedt het feit dat de hersenen nog in ontwikkeling zijn ook mogelijkheden. Zo kunnen we een jongere in deze fase juist makkelijker in een positieve richting bijsturen.

De implementatie van het biopsychosociale model is niet alleen van belang voor effectievere behandeling tijdens jeugddetentie: het kan ook ingezet worden om de toepassing van het huidige Adolescentenstrafrecht te verbeteren. Neurobiologische studies laten zien dat vertraging in de hersenontwikkeling samenhangt met delinquent gedrag. De biopsychosociale profielen van jongvolwassenen die baat hebben bij veroordeling op grond van het jeugdstrafrecht – vanwege de bijbehorende interventies – blijven echter onbekend. Hierdoor zijn de huidige beoordelingsmethoden ontoereikend. Dit kan leiden tot het opleggen van een niet-optimale straf en daarmee een niet-optimale behandeling voor de jongere. Hierdoor wordt het jeugdstrafrecht niet efficiënt gebruikt, en kan het ongelijkheid binnen het strafrechtsysteem introduceren en daarmee ook de kans op recidive vergroten.

Brainstorm clip Biopsychosociaal model
Het biopsychosociale model uitgelegd

Onderzoek

Het huidige onderzoek is een vervolg op het NeurolabNL Startimpuls onderzoek. Dit onderzoek levert een basisset van relevante neurobiologische maten die gerelateerd zijn aan antisociale ontwikkeling. Deze kennis gebruiken we om een eerste neurobiologische toolkit te ontwikkelen. Deze toolkit combineren we vervolgens met de standaard klinische psychosociale beoordelingen om een geïntegreerde biopsychosociale diagnostiekmethode te vormen. Met deze diagnostiekmethode verzamelen we longitudinale gegevens in de praktijk, over de gedrags- en neurobiologische ontwikkeling van jongeren tijdens behandeling. De resulterende gegevens vormen de basis voor het opstellen van individuele profielen en voorspellende modellen.

We nemen aan dat de behandeling invloed heeft op het biologische, psychologische en sociale functioneren, waardoor het risico op recidive afneemt. Het grootste probleem is dat het momenteel onduidelijk is wat het meest bijdraagt aan het succes van de behandeling en het verminderen van het recidiverisico bij individuele jongeren. In dit project onderzoeken we welke biopsychosociale ontwikkelingspatronen we kunnen identificeren op individueel niveau. Deze informatie wordt vervolgens gebruikt om behandelaren te kunnen ondersteunen in de beslissingen over gepersonaliseerde interventieprogramma’s en de toepassing van het jeugdstrafrecht.

Aan het einde van dit traject vertalen we de ontwikkelingsprofielen naar een instrument, een decision support tool, voor gebruik in de forensische klinische praktijk en voor instellingen die betrokken zijn bij advies en straftoemeting binnen het jeugdstrafrecht.

Samenwerking

Een cruciaal aspect van dit onderzoekis de samenwerking tussen wetenschap, praktijk en de jongeren zelf. Partners uit de forensische klinische praktijk en beleid, en jongeren zelf zijn vanaf het begin af aan betrokken bij de opzet, uitvoer en duiding van dit onderzoek. Op deze manier is de kans op succesvolle implementatie in de praktijk het grootst. De volgende partners maken onderdeel uit van het team dat dit project de komende jaren gaat uitvoeren: RJJI, NIFP, Pluryn, de Borg, Ministerie Veiligheid en Justitie, YIP, OM, iHub, WODC, Trimbos Instituut, Reclassering, Hogeschool Utrecht, Hogeschool Windesheim, Amsterdam UMC, Universiteit Leiden, Radboud Universiteit Nijmegen, Curium-LUMC, Vrije Universiteit, Universiteit Utrecht.

Benieuwd naar de details van dit voorstel? Bekijk hier de volledige aanvraag

Afbeeldingen gemaakt door Jaap Nauta – Bureau Nauta